KOINOS MAGAZINE #23 (1999/3)
www.koinosmag.com

 

Wahrheit und Dichtung

Boekbespreking

 

Al in het eerste hoofdstukje van zijn nieuwe, omvangrijke roman Die Atterseekrankheit waarschuwt Friedrich Kröhnke de lezer voor ‘de factor S’. Net als zijn moeder, de Sudeten-Duitse schrijfster Anne Sobota, heeft hij de neiging wat hij meedeelt romantisch te overdrijven en te dramatiseren. Dus: niet alles berust op feiten, het gaat in de beste Duitse traditie om een combinatie van feit en verdichtsel, Wahrheit und Dichtung.

boekomslag

Die Atterseekrankheit is een zeer rijk en complex boek waarin de auteur breed uitpakt, als was alles wat hij eerder heeft gepubliceerd slechts een aanloop naar dit magnum opus. Veel ervan is ook in fragmentarische of gecondenseerde vorm terug te vinden: zo biedt het hoofdstuk David in iets meer dan zes pagina's een ingedikte weergave van de complete roman P14. Zes slechts van de in totaal 430 bladzijden die deze nieuwe roman telt. Het is, in zekere zin en rekening houdend met de ‘Sobota-factor’, een autobiografie; het is een Bildungsroman; het is bekentenisliteratuur; het is een zelfanalyse; het ultieme egodocument van een openlijk egocentrische persoonlijkheid. Het lijkt of Kröhnke alles wat hij heeft te melden in een klap in de uitverkoop doet. Maar waar de lezer onbekend is met aard en omvang van de ‘factor S’ is dat wellicht toch maar schijn. Gaat het om een tweelingbroer van vlees en bloed of is het een romantisch alter ego? Hadden de tweelingbroers een beslissende invloed op de uitwijzing van de dichter Biermann uit de DDR? Zijn de kwalen van de moeder - de aan een Oostenrijks meer opgelopen ziekte uit de titel -, van de vriendin Esther en van de schrijver zelf werkelijk of ingebeeld, of iets ertussenin? Wat betekent het opvoeren van traditionele Duitse thema's als pedagogische eros en de ‘Wandervogel’ meer dan een stilistisch vertoon van gecultiveerdheid?

Aanleiding tot het boek lijkt toch duidelijk te zijn het bereiken van de veertigjarige leeftijd. Een tijd om de balans op te maken. Dus heeft in elk geval de eerste helft van het boek een strikt autobiografische opbouw. De tamelijk onbezorgde kinderjaren als zoon van ontheemde ouders in het kleinburgerlijke Darmstadt, de actieve rol in het scholierenverzet, de intensieve betrokkenheid als student bij een trotskistische splintergroep, de vaste relaties - parallel - met twee vrouwen in Keulen, de steeds sterkere behoefte aan vriendschap en seksualiteit met jongens ‘die geen kind meer zijn maar nog geen man’. Waarmee de thematiek wordt bereikt die zijn eerder verschenen werk kenmerkt, maar nu vanuit de achtergronden en met eerder niet zichtbare dwarsverbanden. Kröhnke vraagt geen begrip, maar wil wel begrepen worden, compromisloos geaccepteerd eigenlijk. De episoden waarin telkens een jongen centraal staat zijn het sterkste, en maken het op zich al waard om het boek te lezen en al het andere wat de auteur over zichzelf op straat gooit voor lief te nemen. Het verhaal van Tim, de weggelopen bakkersleerling uit een Brandenburgs dorpje, vormt een juweel in het hart van het boek, en lang niet het enige.

Maar het al afgesloten verhaal van Tim krijgt verderop een minder bevredigend vervolg, en later nog een aansluitende episode als finale anticlimax. De tweede helft van het boek is meer thematisch opgebouwd, met ontwikkelingen die parallel aan de orde waren - en tijdens het schrijven kennelijk ook nog zijn. De reizen naar verre buitenlanden, de jacht in zwembaden, de verliefdheden, de pogingen een geregeld huishouden op te zetten. Het accent verschuift naar het zelfonderzoek: naar de verlangens, de angsten, het gevoel een nutteloos mens te zijn, de fascinatie voor mensen die onder onwaarschijnlijke omstandigheden weten te overleven. Uiteindelijk, als het ware onvermijdelijk, naar de in de laatste bladzijden beschreven pelgrimages naar zijn wortels: de geboortedorpen van zijn ouders in Noord-Bohemen en in Russisch Oost-Pruisen. Waarmee het boek rond is; maar de lezer blijft - waarschijnlijk net als de schrijver - met vele vragen en losse einden zitten.

 

Friedrich Kröhnke, Die Atterseekrankheit

Ammann, Zürich, 1999

ISBN 3-250-60017-2